Faalangst en onderpresteren

Faalangst

Hoogbegaafde kinderen maken in het begin van hun schoolcarrière nauwelijks fouten en hoeven zich in de klas zelden in te spannen. Daarom ervaren ze geleverde prestaties niet snel als iets positiefs en ontwikkelen ze geen goede leerstrategieën en concentratievermogen.

Doordat de leerlingen niet gewend zijn om te falen, gaan ze de lat voor zichzelf steeds hoger leggen. Dit perfectionisme krijgt een deuk wanneer ze, door gebrek aan de nodige vaardigheden, uiteindelijk toch fouten gaan maken. Deze nieuwe ervaring (‘ik kan iets niet’) kan ervoor zorgen dat het kind faalangst gaat ontwikkelen.

Mogelijke signalen van hoogbegaafde leerlingen met faalangst:

  • De leerling ontwikkelt een negatief zelfbeeld en neemt hierdoor geen initiatief in de klas, geeft snel op en gaat nauwelijks sociale contacten aan.
  • De leerling gedraagt zich ofwel erg teruggetrokken en stil, of erg nerveus en beweeglijk.
  • Een faalangstige leerling besteedt veel tijd en energie aan het bedenken hoe mislukkingen kunnen worden vermeden. Het neerzetten van een goede prestatie kan zo’n obsessie worden dat er geen ruimte meer is voor andere, ontspannende dingen.
  • Als de opdracht slaagt, wordt de reden van dat succes aan anderen of aan geluk toegeschreven.
  • De leerling schrijft falen wel aan zichzelf toe.
  • De leerling denkt dat hij de enige is die faalt bij een bepaalde opdracht.
  • De leerling kan last hebben van lichamelijke klachten zoals hoofdpijn, versnelde ademhaling, misselijkheid en zweten.

Onderpresteren

Hoogbegaafde leerlingen zouden in principe bij de beste 10-15% van de klas moeten behoren. Maar lang niet alle hoogbegaafde kinderen komen in de klas tot buitengewone prestaties. Als hoogbegaafde leerlingen gedurende een langere periode beneden hun niveau presteren zonder dat dit te wijten is aan sociale en/of emotionele problemen, leerstoornissen of fysieke oorzaken, spreken we van onderpresteren.

Relatief en absoluut onderpresteren

Deze groep onderpresteerders is te verdelen in absolute en relatieve onderpresteerders. Relatieve onderpresteerders zijn leerlingen die beneden hun niveau presteren. Absolute onderpresteerders zijn leerlingen die niet alleen onder hun eigen niveau, maar ook beneden het groepsgemiddelde presteren.

Problemen door onderpresteren

Onderpresteren kan allerlei problemen tot gevolg hebben. Onderpresterende leerlingen kunnen moeite hebben om zich te concentreren en hebben vaak een slechte werkhouding. Hun werktempo ligt vaak laag en ze vertonen meestal weinig interesse en motivatie. Dit alles kan ervoor zorgen dat ze bepaalde essentiële nieuwe leerstof niet goed verwerken en een achterstand ten opzichte van de andere leerlingen ontwikkelen.

Veel onderpresteerders ervaren een innerlijke onrust die zich kan uiten in psychische of fysieke klachten. Zo zijn er kinderen die hoofd- of buikpijn krijgen of allerlei angsten gaan ontwikkelen. Een kleine groep onderpresteerders vertoont storend gedrag. Dit kan variëren van pesten, hyperactiviteit en aandacht trekken tot slecht of niet luisteren.

Signaleren en begeleiden

Vaak wordt het verband tussen deze problemen en onderpresteren door hoogbegaafde leerlingen niet opgemerkt. Maar het is belangrijk om deze leerlingen zo snel mogelijk op te sporen, zodat ze adequate begeleiding krijgen.

Smart- Ease helpt leerkrachten bij het analyseren van problemen, zodat er aanpassingen gedaan kunnen worden ter bevordering van het welzijn van het kind. Samen met een positieve houding van leerkracht en ouders kunnen deze aanpassingen zorgen voor een grotere motivatie en een betere werkhouding.