Hoogbegaafd en diep in de put

Het kan soms gebeuren dat een kind zo’n hoge drempel heeft opgebouwd om te leren dat het leren helemaal tot stilstand komt. Ouders en leerkrachten zetten alles in het werk om het kind weer in beweging te krijgen maar het kind geeft telkens ‘niet thuis’. Sterker nog, ouders zien hun kind steeds verder in de put zakken. En dan slaat bij hen de machteloosheid toe. Dit overkwam de ouders van Jonas ook.

Heb jij het vermoeden dat je kind hoogbegaafd is? Klik hier voor de gratis toolkit

Uit de praktijk: Jonas

De mentor van Jonas belt me omdat ze zich ernstig zorgen maakt over de elfjarige Jonas. Ze hebben voor hun gevoel er alles aan gedaan om het leerplezier bij Jonas te vergroten. Ze weet niet meer wat ze moet doen en vraagt me om contact op te nemen met zijn ouders.

Als ik de moeder van Jonas aan de telefoon krijg, hoor ik een diepe zucht. “Jullie hebben het zwaar hè, op dit moment?” Mijn vraag is voldoende om ervoor te zorgen dat Mathilde, de moeder van Jonas, in tranen uitbarst. “Ik voel me zo machteloos. Jonas klaagt elke dag over buikpijn en dat hij niet naar school wil. Hij vindt alles zwaar en moeilijk. Ik probeer hem te helpen en ik word ondertussen moe van mezelf hoe vaak ik moet zeggen dat hij aan zijn schoolwerk moet.”

Een zware dobber

Het schoolse leven was al heel snel een zware dobber voor Jonas. Niet omdat het te moeilijk was maar juist omdat het te makkelijk was. Hij moest teveel mee in de stroom van school. Hij liet steeds minder betrokkenheid zien. De ouders hadden het vermoeden van hoogbegaafdheid maar daar wilden de leerkrachten niets van horen: want ‘hoe kon een jongen die zo matig presteerde nou hoogbegaafd zijn?’

Een test

Een intelligentie-onderzoek wees uit dat de ouders toch gelijk hadden. Omdat het wederzijds vertrouwen ver te zoeken was, waren de ouders inmiddels al op zoek gegaan naar een andere school.

Comfortzone

Op de nieuwe basisschool kreeg Jonas onderwijs dat bij hem paste: hij mocht werken aan projecten waar zijn interesse lag. Heerlijk natuurlijk. Als hij iets moest doen dat buiten zijn interessegebied leek te liggen, kreeg hij toch te vaak de kans om eraan te ontsnappen. Ik zeg bewust ‘leek te liggen’ want hij deed geen enkele moeite om zich wat onderzoekend op te stellen. Hij zette bij voorbaat al de hakken in het zand. Gevolg was dat Jonas geen vaardigheden leerde ontwikkelen om een uitdaging aan te gaan buiten zijn comfortzone.

Dromerig

Toch was de periode op deze school een gelukkige periode. Het paste erg goed bij zijn dromerige karakter. Er waren geen deadlines. Hij mocht vaak heerlijk in zijn uppie werken in de hoeveelheid tijd die hij nodig had. Er was veel ruimte voor creativiteit en inventiviteit. Kortom, voor hem het perfecte plaatje.

Haas in de koplampen

Het perfecte plaatje stond echter wel ver van de realiteit binnen het voorgezet onderwijs. Het gebrek aan leervaardigheden kwam hem duur te staan in het voortgezet onderwijs. Vanwege zijn intelligentie werd hij toegelaten op een zogenaamde VWO-plusschool, niveau VWO met extra uitdaging voor hoogbegaafde kinderen. Naast de reguliere vakken moest hij ook vakken volgen die extra uitdagend waren. Hier was geen sprake meer van vrije keuze maar meedraaien in een vast programma. Jonas raakte zo enorm overweldigd door de hoeveelheid leerstof dat hij reageerde als een haas die in de koplampen keek.

Druk op de ketel

De druk op de ketel werd steeds groter voor hem en de weerstand om naar school te gaan, daardoor ook. 

Nadat de ouders de alarmbel richting school hadden gerinkeld, besloot de mentor in overleg om het aantal vakken te verminderen. Hierdoor ontstond er wel wat verlichting maar dit was niet genoeg. Jonas ‘moest’ immers nog steeds van alles. Niet vanuit intrinsieke motivatie maar omdat dit werd opgedragen vanuit school. De ouders voelden zich bezwaard richting school dus ze probeerden Jonas iedere dag weer opnieuw aan te zetten tot leren. Maar dit was een ware kwelling: Jonas kwam niet in beweging. Dit gaf uiteindelijk ook veel stress bij de ouders. Ze voelden zich tussen twee vuren instaan: enerzijds wilden ze de school tegemoet komen en anderzijds hun ongelukkige zoon.

Asynchrone ontwikkeling

Het werd ondertussen duidelijk dat Jonas nog alle leeftijden in zich had: zijn denksnelheid lag op het niveau van een zestienjarige, zijn fijne motoriek op het niveau van een zesjarige en de zelfsturing lag nog op het niveau van een kleuter. Al die verschillende leeftijden conflicteerden enorm.

Diep in de put

Ondertussen had Jonas het gevoel dat iedereen hem een lastige jongen vond. Hij voelde zich ontzettend onbegrepen.
Toen zijn moeder een briefje op zijn bureau vond met de tekst ‘wat heeft het leven nog voor zin. Van mij hoeft het niet meer’ wist ze dat het code rood was. Hun zoon zat diep in de put.

Wat had Jonas nodig?

Jonas liep helemaal vast en zijn ouders. zaten op het randje van overspannenheid. Er moesten maatregelen genomen worden. Wat had Jonas nu nodig?:

  1. Ontspannen ouders
    Als we het hebben over het geluk van onze kinderen dan beginnen we altijd met het redden van hen. Enorm belangrijk dat jij als ouder de batterij goed opgeladen houdt. Ik zeg wel eens gekscherend: “Paniek?? Ouders zuurstofkapjes eerst. Net als in het vliegtuig.”
    Mathilde, de moeder van Jonas, nam met een weekendje weg even wat afstand en daardoor kreeg ze weer ruimte om op een andere manier naar de situatie te kijken.
  2. Bezoek aan de huisarts
    Omdat Jonas duidelijk tekenen van suïcidaliteit afgaf, adviseerde ik de ouders om contact op te nemen met de huisarts om te vragen naar doorverwijzing naar een psycholoog, 
    Deze specialist gaf echter aan dat het briefje een schreeuw om aandacht was en dat er actie richting school moest worden ondernomen. De gz-psycholoog bewaakte ondertussen wel het proces.
  3. Druk van de ketel en aansluiten bij de interesse
    De belasting was duidelijk te groot in verhouding tot zijn belastbaarheid.
    Met de mentor werd overlegd om alle vakken even los te laten en weer terug te gaan naar onderwerpen waar de interesse van Jonas lag. We noemen dit ‘matchen’: aansluiten bij bestaande interesses. Deze fase gebruiken we om ervoor te zorgen dat de druk van de ketel kwam zodat Jonas weer ruimte zou krijgen in zijn brein. Jonas ging in eerste instantie twee uur per dag naar school waarin hij aan de projecten werkte. De overige tijd was hij thuis en stonden activiteiten als bouwen, timmeren, kleien, verven, koken, bakken op het programma. Het mooie van deze activiteiten was dat ze allemaal een beroep deden op de executieve functies. De functies die Jonas hard nodig had bij het leren.
    Zodra er weer ruimte was zou de mentor in overleg met de ouders en Jonas het veilige domein weer wat gaan oprekken: met kleine stappen zal hij de breedte en diepte opzoeken. Dit noemen we stretchen.
  4. Structuur en voorspelbaarheid
    Om te voorkomen dat Jonas ging verzanden in urenlang schermgebruik werd er iedere een avond samen met hem een plan opgesteld voor de volgende dag. In het belang van het ontwikkelen van eigenaarschap, werd Jonas aangespoord om goed mee te denken. Dit gaf structuur en voorspelbaarheid. De eerste weken stond er nog niet al teveel op het programma maar geleidelijk aan kwamen er taken bij.
  5. Prutteltijd
    De ouders van Jonas merkten wel dat directieve vragen altijd resulteerden in ‘weet ik niet’. Daarom gaven ze Jonas na het doen van een voorstel altijd even een uurtje prutteltijd zodat hij zijn eigen gedachten erover kon vormen.
  6. Niet direct ingrijpen en coachende vragen stellen
    Uiteraard liep Jonas tijdens het koken, bouwen of andere activiteiten tegen hindernissen aan. De ouders hadden ondertussen geleerd om dan niet het stuur over te nemen maar op het juiste moment (als het ijzer koud is) coachende vragen te stellen of zijn gedrag te spiegelen. Voorbeeld:”Pfff dit is even een tegenvaller hè? Je was zo mooi op weg. Oké Jonas, je hebt gemerkt dat de legoblokjes op dit punt niet aansluiten. Wat kun je doen zodat het wel gaat passen?” 
    Of bij het bakken: “De cake is ingezakt. Wat zou de reden kunnen zijn dat dat is gebeurd? Wat zou je de volgende keer anders kunnen doen?”
  7. Kapstokjes en laatjes in zijn hoofd
    Toen het welzijn weer toegenomen was en de tijd daar was om te stretchen bekeek hij samen met zijn vader welke stapjes hij moest nemen om tot de oplossing te komen. Zijn vader deed het één keer voor. Daarna schreven ze samen de stappen uit. Op die manier had hij een mooi kapstokje. Vervolgens maakte Jonas twee taken waarbij hij gebruik maakte van de stappen. In het begin lag de nadruk vooral op kwaliteit en succeservaring. Toen hij de routine beter in de vingers kreeg, werd het aantal taken opgevoerd. Op die manier kreeg Jonas de ‘denklaatjes’ in zijn hoofd en leerde hij planmatig de taken uit te voeren.
  8. Vrienden worden met ‘Karel’ en bewust worden van succes
    Voor Jonas was het glas vaak half leeg. Zijn interne criticus had het stuur stevig in handen. Het gevolg was dat Jonas vaak verzandde in ‘het lukt toch niet’ en ‘dat leer ik nooit!!’ Voor hem was het een uitdaging om vrienden te worden met ‘Karel’, zijn interne criticus. Door niet meer het gevecht aan te gaan met ‘Karel’ maar door je bewust te zijn wat wel is gelukt werd ‘Karel’ geleidelijk aan wat rustiger.
    Tijdens het avondeten was het bijvoorbeeld een vaste prik om 3 successen van de dag te benoemen. Het hele gezin deed hier aan mee. Zo voelde Jonas zich geen uitzondering. Zijn ouders gaven hierin het goede voorbeeld door niet alleen grote successen te benoemen maar ook kleine ‘gelukjes’. Op die manier leerde hij ook om te kijken naar kleine successen. 

Hoe gaat het nu met Jonas en zijn ouders?

Het proces van ‘in de put’ naar ‘uit de put’ ging langzaam. Maar doordat er geen druk werd uitgeoefend vanuit school en de leerplichtambtenaar, ging Jonas stap voor stap vooruit. In goed overleg werd er gekozen voor een kleinschalige school voor voortgezet onderwijs.
Een VWO-school met een plusprogramma is passend voor leerlingen die van actie houden en samen werken, de ‘rupsjes nooit genoeg’. Dit zijn jongeren die competitief zijn ingesteld en hun leerhonger stillen met kennis uit boeken en graag hoge cijfers halen.  

Jonas heeft een intense beleving van alles. Zijn gedachten gaan veel verder en dieper. Hij heeft tijd nodig om dit te verwerken. Jonas is een jongen die gebaat is bij reflectietijd, veel meer behoefte aan alleentijd en rust. Voor hen is de kleinschaligheid van een school en een goede verbinding met de leerkracht cruciaal. Daarnaast is het voor Jonas van belang dat het leerprogramma niet overbeladen is en dat de nadruk vooral ligt op het leerproces en leerplezier.

Mathilde: “Ik had niet durven dromen dat Jonas zo zou opbloeien. Geduld is echt een schone zaak. Ik heb geleerd dat ik niet in de reddersmodus moet schieten en vooral bij mijn gevoel moet blijven en me niet moet laten opjagen door een ander. Jonas voelt feilloos wanneer ik niet mezelf ben. Ik zie nu een jongen die zijn gevoel beter kan verwoorden. Het is nog geen prater hoor maar dat hoeft ook niet. Hij kan nu in ieder geval beter zijn behoefte verwoorden en ook zijn grens aangeven. Hij stuurt zichzelf steeds beter aan. Dat komt ook wel omdat we hem steeds meer verantwoordelijkheden geven. Deze kleinschalige school past beter bij hem. Hij heeft een goede match met de andere leerlingen. Zij hebben dezelfde interesses en houden ook niet zo van drukte. Ik heb weer vertrouwen in de toekomst.”

Jonas: “Ik voelde me altijd heel erg dom. Dan zag ik klasgenoten bezig met opdrachten en dan dacht ik altijd ‘dat lukt mij nooit’ of ‘dit krijg ik nooit af’. Nu weet ik beter hoe ik een taak moet uitvoeren. En gelukkig heb ik op deze school minder vakken en daardoor meer tijd over voor dingen die ik echt leuk vind. Ja, ik vind school nog best wel saai hoor. Maar ik heb nu vrienden en sommige dingen die we doen zijn best tof. Ik heb leren programmeren. En ze hebben hier gelukkig geen toetsen maar je krijgt opdrachten om de leerstof te verwerken. Dat past veel beter bij mij. Ik ben best trots op het portfolio wat ik heb opgebouwd.”

De mentor: “Ik was er van overtuigd dat ons onderwijssysteem erg geschikt was voor alle hoogbegaafde kinderen. Ik dacht dat we Jonas wel wat steviger moesten aanpakken en dat hij gewoon moest leren doorzetten. Maar Jonas leerde me dat hoogbegaafde kinderen heel verschillend kunnen zijn. Ik ben blij dat ik mocht meedenken in een andere school. Ik hoor van mijn collega’s op de andere school dat ze Jonas zien opbloeien. Het contact met de klasgenoten is erg goed. Zijn vertrouwen in de omgeving gaat stapje voor stapje vooruit. Ik ben me ervan bewust geworden dat leren pas lukt als je goed in je vel zit en als passend onderwijs maatwerk is”

Tips van Smart-Ease in je mailbox?
Geplaatst in Blog, Executieve functies, Faalangst en onderpresteren, Leren leren, Uit de praktijk en getagd met , .

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *